
Woordsoorten
Presentation
•
Other
•
4th Grade
•
Practice Problem
•
Medium
Dorinda Jonkers
Used 22+ times
FREE Resource
14 Slides • 23 Questions
1
taalkundig ontleden
2
Bepaald: de, het
Onbepaald: een
Staat voor een zelfstandig naamwoord.
3
Woord dat een mens, dier, ding, begrip of verschijnsel aanduidt.
Je kunt er bijna altijd een lidwoord voor zetten.
Let op: namen zijn ook zelfstandige naamwoorden.
4
Benoemt een kenmerk of eigenschap van een zelfstandig naamwoord.
Staat vaak voor een zelfstandig naamwoord.
5
Multiple Choice
Wat is de woordsoort?
In de grote tuin staat een oude, dode boom.
bepaald lidwoord
onbepaald lidwoord
bijvoeglijk naamwoord
zelfstandig naamwoord
6
Multiple Choice
Wat is de woordsoort?
In de grote tuin staat een oude, dode boom.
bepaald lidwoord
onbepaald lidwoord
bijvoeglijk naamwoord
zelfstandig naamwoord
7
Multiple Choice
Wat is de woordsoort?
In de grote tuin staat een oude, dode boom.
bepaald lidwoord
onbepaald lidwoord
bijvoeglijk naamwoord
zelfstandig naamwoord
8
Multiple Choice
Wat is de woordsoort?
Omdat de boom dood is, haalt een gespecialiseerd bedrijf hem weg.
bepaald lidwoord
onbepaald lidwoord
bijvoeglijk naamwoord
zelfstandig naamwoord
9
Multiple Choice
Wat is de woordsoort?
Omdat de boom dood is, haalt een gespecialiseerd bedrijf hem weg.
bepaald lidwoord
onbepaald lidwoord
bijvoeglijk naamwoord
zelfstandig naamwoord
10
Multiple Choice
Wat is de woordsoort?
Tot mijn schrik verhuist Hans naar Utrecht.
bepaald lidwoord
onbepaald lidwoord
bijvoeglijk naamwoord
zelfstandig naamwoord
11
Multiple Choice
Wat is de woordsoort?
Tot mijn schrik verhuist Hans naar Utrecht.
bepaald lidwoord
onbepaald lidwoord
bijvoeglijk naamwoord
zelfstandig naamwoord
12
Kan van tijd veranderen.
Kan van getal veranderen: van enkelvoud naar meervoud of andersom.
Drie soorten: het zelfstandig werkwoord, het hulpwerkwoord en het koppelwerkwoord.
13
Multiple Select
Hoeveel werkwoorden heeft deze zin?
Als vliegen vliegen, vliegen vliegen vliegensvlug.
1
2
3
4
14
15
Hoofdtelwoord: geeft een aantal aan.
Rangtelwoord: geeft een plaats in een reeks aan.
16
Geeft meer informatie over een bijvoeglijk naamwoord, een bijwoord, een werkwoord of de hele zin.
In tegenstelling tot bijvoeglijk naamwoorden zijn bijwoorden onveranderlijk. Ze hebben altijd dezelfde vorm.
17
Ezelsbruggetje: deze woorden kun je voor 'de kast' zetten.
18
Een woord dat zinsdelen, woorden of zinnen met elkaar verbindt.
19
Multiple Choice
Wat is de woordsoort?
Het centrum van deze stad, dat heel druk is, is populair bij toeristen.
telwoord
bijwoord
voorzetsel
voegwoord
20
Multiple Choice
Wat is de woordsoort?
Het centrum van deze stad, dat heel druk is, is populair bij toeristen.
telwoord
bijwoord
voorzetsel
voegwoord
21
Multiple Choice
Wat is de woordsoort?
Het centrum van deze stad, dat heel druk is, is populair bij toeristen.
telwoord
bijwoord
voorzetsel
voegwoord
22
Multiple Choice
Wat is de woordsoort?
Uit onderzoek blijkt dat sommige mensen voor alle websites hetzelfde wachtwoord gebruiken.
telwoord
bijwoord
voorzetsel
voegwoord
23
Multiple Choice
Wat is de woordsoort?
Uit onderzoek blijkt dat sommige mensen voor alle websites hetzelfde wachtwoord gebruiken.
telwoord
bijwoord
voorzetsel
voegwoord
24
Multiple Choice
Wat is de woordsoort?
Uit onderzoek blijkt dat sommige mensen voor alle websites hetzelfde wachtwoord gebruiken.
hoofdtelwoord
rangtelwoord
voorzetsel
voegwoord
25
Multiple Choice
Wat is de woordsoort?
Als jij mij helpt, krijg ik het werk vandaag af.
lidwoord
bijwoord
zelfstandig naamwoord
voegwoord
26
Multiple Choice
Wat is de woordsoort?
Als jij mij helpt, krijg ik het werk vandaag af.
lidwoord
bijwoord
zelfstandig naamwoord
voegwoord
27
Multiple Choice
Wat is de woordsoort?
Als jij mij helpt, krijg ik het werk vandaag af.
lidwoord
bijwoord
zelfstandig naamwoord
voegwoord
28
Komt in de plaats van een naam(woord).
Twee soorten:
onderwerp: ik, jij/je, hij, zij/ze, het, wij, jullie, zij/ze
ander zinsdeel: mij/me, jou/je, u, hem, haar, ons, jullie, ze/hen
De student is moe. > Hij is moe.
Hij droomt over zijn vriendin. > Hij droomt over haar.
29
Geeft aan van wie iets is.
mijn, jouw/je, uw, zijn, haar, ons/onze, jullie, hun
Hij draagt zijn hond.
30
Komt vaak in plaats van een lidwoord, maar kan ook zelfstandig voorkomen.
die, deze, dit, dat, diegene, degene, zo'n etc.
Dit geld is van mij!
31
Verwijst naar de persoon die het onderwerp van de zin is.
me, je, zich, ons
Hij voelt zich niet lekker.
32
Multiple Choice
Wat is de woordsoort?
Zo is deze wasdroger, die wij onlangs hebben gekocht, veel zuiniger dan onze vorige wasdroger.
persoonlijk voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
aanwijzend voornaamwoord
wederkerend voornaamwoord
33
Multiple Choice
Wat is de woordsoort?
Zo is deze wasdroger, die wij onlangs hebben gekocht, veel zuiniger dan onze vorige wasdroger.
persoonlijk voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
aanwijzend voornaamwoord
wederkerend voornaamwoord
34
Multiple Choice
Wat is de woordsoort?
Zo is deze wasdroger, die wij onlangs hebben gekocht, veel zuiniger dan onze vorige wasdroger.
persoonlijk voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
aanwijzend voornaamwoord
wederkerend voornaamwoord
35
Multiple Choice
Wat is de woordsoort?
Ik schaamde me kapot voor mijn ouders.
persoonlijk voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
aanwijzend voornaamwoord
wederkerend voornaamwoord
36
Multiple Choice
Wat is de woordsoort?
Ik schaamde me kapot voor mijn ouders.
persoonlijk voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
aanwijzend voornaamwoord
wederkerend voornaamwoord
37
Multiple Choice
Wat is de woordsoort?
Ik schaamde me kapot voor mijn ouders.
persoonlijk voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
aanwijzend voornaamwoord
wederkerend voornaamwoord
taalkundig ontleden
Show answer
Auto Play
Slide 1 / 37
SLIDE
Similar Resources on Wayground
26 questions
Frans klas 2 bnw
Presentation
•
2nd Grade
33 questions
Biologie Voeding en vertering herhalen
Presentation
•
4th Grade
26 questions
Iconen, pictogrammen en symbolen
Presentation
•
3rd - 4th Grade
26 questions
opfrissen kennis periode 1 en 2
Presentation
•
4th - 5th Grade
27 questions
Rekenen les 14
Presentation
•
3rd Grade
24 questions
MOVERS 6 TEST 2 READING AND WRITING
Presentation
•
5th Grade
40 questions
Diploma-uitreiking 4 Entree
Presentation
•
4th - 5th Grade
20 questions
V4 Latijn: tekst D t/m r.14
Presentation
•
4th Grade
Popular Resources on Wayground
10 questions
Safety Day 2026 – Student Review
Quiz
•
9th Grade
21 questions
Continents and Oceans
Quiz
•
6th Grade
20 questions
Parts of Speech
Quiz
•
5th Grade
16 questions
Subject & Predicate
Quiz
•
5th Grade
25 questions
Multiplication Facts
Quiz
•
5th Grade
12 questions
Map Skills
Quiz
•
3rd Grade
22 questions
Continents and Oceans
Quiz
•
5th Grade
15 questions
Rounding Decimals
Quiz
•
5th Grade
Discover more resources for Other
20 questions
Inferences
Quiz
•
4th Grade
20 questions
Multiplication and Division Facts
Quiz
•
4th Grade
10 questions
3 digit by 1 digit multiplication
Quiz
•
4th Grade
15 questions
Subject/Verb agreement
Quiz
•
4th Grade
21 questions
Multiplication Facts
Quiz
•
4th Grade
10 questions
Subtraction with Regrouping
Quiz
•
4th Grade
8 questions
Context Clues Practice
Quiz
•
4th Grade
10 questions
Multiplication Facts
Quiz
•
4th Grade